Grafieken, diagrammen, statistieken: ze tonen duidelijk aan dat thuiswerken flink is ingebed in de dagelijkse realiteit van een groeiend aantal organisaties. Het lijkt wel iets nieuws en revolutionairs. Toch is dat niet zo. Integendeel, thuiswerken kent een rijke geschiedenis.

Mensen doen al eeuwenlang werk van thuis uit. Vóór de nijverheidsrevolutie, van 1600 tot 1800, was het werk thuis enkel gericht op het produceren van goederen voor eigen gebruik. Manden vlechten, het onderhouden van een moestuin, kleding maken en andere huisvlijt waren bedoeld om het huishouden te faciliteren. Tussen 1600 en 1800 ging men zich meer richten op het verdienen van een loon. Pottenbakken, lompen sorteren, garnalen pellen: het thuiswerk was heel breed en vaak werd het hele gezin ingeschakeld.

Een van de grootste thuisnijverheden was het weven. Een werk dat vooral werd uitgevoerd door boeren. In de winter was er weinig of geen werk op de boerderij. Geen werk betekende ook geen inkomsten. Om toch wat te kunnen verdienen tijdens de rustige periodes boden ze zich aan om wol en katoen te verwerken tot lakens en kledingstukken. Ze werden betaald per stuk en de boeren met de beste tarieven kregen het beste werk.

Aan de thuisnijverheid kwam een einde met de intrede van de industriële revolutie. De thuiswerkers konden niet meer concurreren met de fabrieken. De technologische vooruitgang heeft het werken van de woonkamer en keuken naar een gemeenschappelijke werkvloer gebracht.

Vandaag kennen we het tegenovergestelde en is het net dankzij de technologie dat thuiswerken terug in opgang is. Tegelijkertijd beleven ambachtelijke bezigheden zoals zelf brood bakken, breien, een eigen moestuintje aanleggen ook een heropleving. Zij het nu wel in veel romantischere omstandigheden dan tijdens de nijverheidsrevolutie.